Er was geen ontkomen aan de afgelopen week: het was 'een jaar na' - en dat moest uitgebreid worden gevierd. Er werd gediscussieerd, geanalyseerd, gefulmineerd en gejeremieerd. Het land beleefde één grote orgie van vrijheid van meningsuiting. Iedereen mocht zijn zegje doen: de politici en de deskundologen, de vrienden van, de familie van, de journalisten en de man (m/v*) in de straat.
In Engeland hebben ze Frost, Morse, Hamish Macbeth, Dalziel en Pascoe. In Nederland levert moord en doodslag enkel beroerde televisie op. Gisteravond werden op een gegeven ogenblik, op drie publieke netten tegelijk, drie verschillende documentaires over Van Gogh uitgezonden. Vijf minuten later kon je heen en weer zappen tussen twee verschillende interviews met Ayaan Hirsi Ali**.
Op dat moment knapte er iets. Ik kreeg ineens heel erg de aanvechting om op te springen en tegen de televisie te gillen. (Ik heb het nagelaten omdat poes lag te soezen.) Heel fraai, al die vrijheid van meningsuiting. Maar je hebt er zo verdomd weinig aan als iedereen krek hetzelfde zegt.
Even resumeren: Van Gogh is dood en dat is erg. En oh ja, we leven in een land waar je alles mag (en moet) zeggen. En iedereen voelt zich daar ongemakkelijk bij. En wij benne bang voor hunnie. En hunnie benne bang voor ons. Fijn. Dat weten we dan. Maar ik heb het nu te vaak gehoord. Ik ben verzadigd. De kritische massa is bereikt. Kunnen we het nu in godsnaam weer over iets anders hebben? De hele kwestie hangt me namelijk mijlenver de keel uit.
Daarom stel ik, hoewel het tegen mijn principes en mijn opvoeding indruist, de komende week een beperkte censuur in. De eerste die onder mijn dak de woorden 'Theo van Gogh' of 'vrijheid van meningsuiting' in de mond neemt wordt bij kop en kont gepakt en over het tuinhek geknikkerd.
Ja, poes, dat geldt ook voor jou.
*) Al was het verschil soms moeilijk te zien.
**) Het is raar, maar hoe sneller ik heen en weer zapte, hoe zinniger haar betoog leek te worden.