Het begon een jaar of vijftien geleden. Het begon, om precies te zijn, met de Ierse pubs. Nou waren er in die tijd nog niet zo achterlijk veel Ierse pubs in Amsterdam: Mulligans, The Blarney Stone en Tara, dan had je het zo'n beetje gehad. Ik woonde nog niet zo lang in de stad en beging in zo'n etablissement de vergissing om in het Nederlands een biertje te bestellen. Het meisje achter de bar keek me niet begrijpend aan.
Ik begreep dat de kroegbazen niet alleen het bier en het meubilair, maar ook het complete personeel, ja, zelfs de clientèle uit Ierland hadden geïmporteerd, en dat de voertaal in de pub dus Engels was. Nu, als dat het spelletje was wilde ik best meespelen. Ik glimlachte en plaatste mijn bestelling in het Engels. Ik had er zelfs aardigheid in: het verleende een zekere authenticiteit aan de Ierse-pub-ervaring, alsof je op vakantie was in eigen land.
Het bleef niet bij de pubs: een paar jaar later waren de avondwinkels aan de beurt. Op een dinsdag stommelde ik een avondzaak binnen om een paar biertjes en een tros bananen. Achter de kassa zat een puisterige jongen met een kamerbreed Australisch accent. Er stond een lange rij en die rij schoot niet erg op. De jongen sprak geen woord Nederlands; iedere transactie ging gepaard met veel gebarentaal en hulpeloos gestamel. Ik beschouwde het als een incident, maar al snel was er in het hele centrum geen avondwinkel meer te vinden waar je met Nederlands terechtkon.
In de loop van de jaren negentig greep het expat-virus snel om zich heen. Broodjeszaken, tankstations, modewinkels en kapsalons gingen als dominostenen omver. Het aantal 'Ierse' pubs in de hoofdstad steeg explosief. Niet zelden werd een klassieke, door de tijd getekende Amsterdamse kroeg rücksichtslos gesloopt en vervangen door een dertien-in-een-dozijn prefab-pub. Dit alles ten behoeve van luie toeristen en expats, die ook in den vreemde hun lauwe bier, hun sponzige frites-met-azijn en hun eeuwige doperwtjes niet konden missen.
In 1999 kreeg mijn afdeling een Engelstalige manager. Een Brit. Nu was dat op zich niets bijzonders. We werkten voor een internationaal bedrijf en we werden geacht om een mondje Engels te spreken. Maar onze manager woonde en werkte al een kwart eeuw (vijfentwintig jaar!) in Nederland. En hij verrekte het om tijdens afdelingsmeetings of werkbesprekingen Nederlands te spreken.
Hij was onze taal niet helemaal onmachtig - de beledigingen die we achter zijn rug sisten verstond hij feilloos. Daarnaast kon hij zich min of meer verstaanbaar maken in een soort Nederlands van eigen vinding, dat ik voor het gemak maar Expatois zal noemen. Maar dat reserveerde hij voor jubilea, pensioneringen en andere feestelijke gelegenheden, wanneer hij, tot grote hilariteit van alle aanwezigen (en vooral van hemzelf), toespraken hield in zijn eigen koeterwaals. Ik heb overplaatsing gevraagd en gekregen.
Sinds 2000 is het hek helemaal van de dam. Iedere sector van het bedrijfsleven wordt in rap tempo overgenomen door expats uit Groot-Brittannië, Ierland, de VS, Australië en zelfs Zuid-Afrika. Ze spreken geen woord Nederlands, weigeren de taal te leren, sturen hun kinderen naar Engelstalige scholen en sluiten zich op in Engelstalige ghetto's. U denkt dat ik overdrijf? Maak dan voor de grap eens een wandelingetje door het centrum van Wassenaar. In elke willekeurige achterstandswijk wordt meer - en beter - Nederlands gesproken.
Verleden week is de limiet bereikt. Ik liep een warme bakker binnen en vroeg om een half gesneden grof volkoren. Het meisje achter de toonbank, een Amerikaanse, viel me paniekerig in de rede: 'Hold it, hold it, I don't speak any Dutch!' Even stond ik in dubio. Ik kon natuurlijk proberen om in het Engels een half gesneden grof volkoren te bestellen. (Hoe deed je dat eigenlijk? A half cut rude wholemeal? A half sliced rough fullcorn?) Ik kon me ook op mijn hielen omdraaien en met slaande deur vertrekken. Ik deed het laatste en ging naar de supermarkt.
Met mijn mandje vol boodschappen sloot ik aan bij de rij voor de kassa. De caissière was een bevallig Marokkaans meisje, compleet met hoofddoekje, dat me in accentloos Nederlands vroeg of ik een bonuskaart bezat en luchtmijlen beliefde. En terwijl ze mijn boodschappen over de scanner haalde hield ze even stil, met de zak boerderijdrop in haar hand, en keek me met een brede glimlach aan. 'Oôh,' zei ze, 'ik heb ook zin in drop!'
Precies, leve ónze kut-marrokanen !
Overigens weer een bijzonder kundig gesmeed stukjen.
Precies, leve ónze kut-marrokanen !
Overigens weer een bijzonder kundig gesmeed stukjen.
D. () - 10 April '06 - 10:37