Ik was op Kwakoe toen de sluizen opengingen. De bui waarop ik weken had gewacht bleek niet zomaar een bui. It was the one that says Bad Motherfucker. Het geluid van de donderslagen ging verloren in de oorverdovende herrie van de drumbands, die onverstoorbaar verder trommelden. In de feesttenten lesten mannen loom hun dorst met
literflessen Djogo-bier.
We schuilden onder het oranje zeildoek van een Javaans eettentje, met de halve Surinaamse gemeenschap, zo leek het. De stemming werd op slag jolig. Af en toe duwde een officieel uitziende meneer met een bezem tegen het zeildoek en viel er een puts water tussen de verraste feestgangers. We moesten moeite doen om onze telo-met-bakkeljauw droog te houden. Western Union deelde regencapes uit en al gauw zag het hele terrein geel van de jasjes. Goeie reclame.
Het had iets van een moessonbui, maar dat kan ook liggen aan de tropische setting. Of aan de hitte van de afgelopen weken. Of aan het feit dat ik de Max Havelaar aan het herlezen ben. Weet ik veel. Met diezelfde Max Havelaar (het boek, niet de vent) belandde ik 's avonds op mijn klapstoel in de tuin. En voor het eerst ik weken had ik het zowaar fris, zo fris zelfs dat ik ernstig overwoog om een overhemd aan te trekken.
Dat heb ik maar achterwege gelaten. Even maximaal genieten van de koelte, luidt het devies. Er komt nog een hele augustusmaand aan.