Terzake nu. Al sinds half december zijn de merels in Zuidoost van mening dat het voorjaar is. Niettegenstaande het feit dat het stikdonker is beginnen ze al om vier uur 's morgens aan hun dawn chorus. Daar heb ik een tijd wakker van gelegen. Niet alleen van het lawaai, ook van de gedachte dat een zichzelf respecterende merel pas in april of mei zo'n misbaar hoort te maken.
Toen ik aan de Admiraal de Ruijterweg woonde sliep ik zonder enige moeite door het geluid van auto's, trams en pneumatische hamers heen. In Hilversum denderden de hele nacht goederentreinen langs, hoewel die af en toe werden overstemd door het kabaal van brandweerwagens in de Beatrixtunnel. Ik sliep als een prins. In Zuidoost heb ik merels. Veel merels. En daar lag ik tot eergisteren wakker van.
Niet dat ik sinds eergisteren veel beter slaap - om de dooie dood niet. Maar net nu ik een beetje aan de merels begon te wennen hebben ze gezelschap gekregen van een zanglijster. Een zanglijster, moet je weten, produceert ongeveer twee keer zoveel herrie als een merel. Bovendien is de zang van een merel nog enigszins beschaafd. Vergeleken met de merel is de zanglijster een soort hooligan.
Waar de merel een eindeloos gevarieerd liedje afdraait, produceert de zanglijster een reeks repetitieve geluiden in series van drie. Twi-duu! Twi-duu! Twi-duu! Diederik! Diederik! Diederik! Krr! Krr! Krr! Iehie! Iehie! Iehie! Enzovoorts. Dat alles doen ze met het volume van een opstijgende 747. En het ergste is dat de merels allemaal ver weg zitten. De zanglijster zit in mijn bloedeigen sleedoorn. Maar goed, wie weet heb ik straks een nestje zanglijsters in mijn tuin, dat is toch ook leuk. De windbuks blijft dus nog even in de kast.
Alle slapeloosheid ten spijt ben ik afgelopen zondag weer eens gaan wandelen. Met Thijs ditmaal, in de Bovenmeent. Het is een leuke tijd om uit vogelen te gaan. De wintergasten zijn nog niet allemaal vertrokken, de eerste zomergasten stromen binnen en je komt de nodige doortrekkers tegen.
Zo troffen we al meteen aan het begin van de wandeling een ruigpootbuizerd, die traag boven de bosrand cirkelde. Twintig meter daarboven hing een gewone buizerd, die de indringer nauwlettend in het oog hield. In de weilanden hokten kol-, brand-, grauwe- en Canadese ganzen. Hier en daar schoof een grote zilverreiger door het beeld.
Voorts: nonnetjes, grote zaagbekken, berg-, kuif-, krak- en wilde eenden, een paar plukjes kieviten, een torenvalk, een sperwer, een stuk of wat grote bonte spechten, twee rietgorzen en (uiteraard) het gebruikelijke mezen-, lijsters-, vinken- en kraaienspul. Geen hele spectaculaire dag, wel een mooie. Compleet met een bleek zonnetje.
Vanavond in de Bijlmer trokken de smienten in zulke grote massa's over dat ik moet aannemen dat ze morgen of overmorgen allemaal vertrokken zijn. Hetzelfde geldt voor de kolganzen, die en masse in noordwestelijke richting trekken.
In de tuin bloeit de sleedoorn (maar dat had ik geloof ik al eens gezegd), en naast de sneeuwklokken, de krokussen en de narcissen staan nu ook de eerste hyacinten in bloei. En natuurlijk fladderen hier en daar al vleermuizen rond.
Nog zes weken, mensen. Misschien nog wel minder. Maar wat ik je brom: over zes weken zijn de gierzwaluwen er weer.