Boekennacht

'Ik was een leerling van u', zei de man die me uit de weg had geduwd. 'Dertig jaar geleden.'
'Werkelijk?', vroeg de Bekende Schrijver, en begon het boek dat de man hem voorhield te signeren. 'Hoe heet u?' Aan het achterhoofd van de man kon ik zien dat dit hem speet. Misschien had hij gehoopt dat de oude meester hem met een vreugdekreet zou omhelzen. In elk geval had hij gerekend op een teken van herkenning. Maar A.L. Snijders sprak een paar vriendelijke woorden en wendde zich tot de volgende lezer.
Het kon niet uitblijven dat ik over hem droomde*. Hij gaf weer les, meneer Müller. In Lelystad ditmaal. Op zijn bureau stonden twee potten snoep. Een glazen pot met groot, griezelig gekleurd snoepgoed, zoals je dat vroeger in het zwembad kopen kon. En een blikje met smakelijke luxedropjes - 'volgens ambachtelijk recept'. Aan het eind van iedere les vroeg hij een leerling om een gedicht te reciteren. Wanneer de leerling mooi kon voordragen kreeg hij het bundeltje cadeau. Bovendien mocht hij een dropje uit het blik nemen. Maakte een scholier een zootje van zijn voordracht, dan hield Müller het bundeltje. Maar bij wijze van troost mocht de leerling een keuze maken uit de glazen pot.
De begaafde leerlingen hadden dit vlug door. Ze gingen voor het grote snoepgoed.
*) Die zin kwam me bekend voor. Na lang nadenken herinnerde ik me dat hij afkomstig is uit het dagboek van Johnny van Doorn. Desondanks Daarom laat ik hem maar staan.
Voor niets gaat de maan op
Au clair de la lune, mon ami Pierrot
Prête-moi ta plume, pour écrire un mot.
Au clair de la lune, mon ami Pierrot
N'avait pas de tunes pour s'acheter un stylo.
Wat Kloos eigenlijk bedoelde
Ik ween bij flessen, 's morgens aangesproken
En vóór de muddag kan ik niet meer staan.
Ik ween om glazen die ik heb gebroken
Voordat ik ze kon achteroverslaan.
Gij kwaamt en met uw machtig reukorgaan
Heeft gij mijn forse kegel fluks geroken.
Ik zat te tollen als een torenhaan,
In de eeuwge nevel van de drank gedoken.
En als de kater midden in de nacht
Zijn klauw uitslaat, terwijl de kachel loeit
En alles in mijn kopje giert en fluit,
Neem ik een kloeke borrel tot besluit.
Ik ben weer dronken, de jenever vloeit
En zelden heb ik er zo naar gesmacht.
Voor 't origineel (Ken je 't niet? Ga je schamen!) zie hier.
't Is niet alleen maar ellende in Amsterdam

Polletje op AT5 vanavond...
Toch nog op vakantie?
Er zijn mensen (nee: je hebt van die lui) die werkelijk bránden van nieuwsgierigheid naar hoe het afloopt met Harry Potter, maar die erg langzaam lezen of zelfs liever afwachten tot de Nederlandse vertaling van 'Harry Potter and the Deathly Hallows' verschijnt.
Toch willen die mensen per se zélf het boek uitlezen. Dat bracht me op een idee - hier loerde een gat in de markt. En warempel: enig marktonderzoek wees uit dat vrienden, familieleden en collega's grif 350 euro betalen als ik ze niet vertel hoe het afloopt.
Op die manier heb ik inmiddels € 3150,= getoucheerd, en de orders blijven binnenstromen. Zodoende ziet het ernaar uit dat ik dit jaar toch nog op vakantie kan. Als het zo doorgaat neem ik misschien zelfs een sabbatical.
Nooit meer telkens weer
Jeumig, Friso Wiegersma is overleden. Niet lang geleden zag ik 'm nog op televisie en verkeerde, naïef genoeg, in de veronderstelling dat dat nooit voorbij zou gaan. Wel dus.
Herstelplan voor de publieke omroep
Het is een cynische, misschien zelfs een enigszins morbide constatering: de Nederlandse televisie is over het algemeen niet geneigd om serieus aandacht te besteden aan literatuur, tenzij er een bekende schrijver de moord steekt. Afgelopen week, na het overlijden van Gerard Reve (God hebbe zijn ziel, in alle denkbare standjes), heb ik dan ook intens genoten. En omdat een mens aan één avondje literatuur per jaar niet voldoende heeft heb ik alvast een beetje vooruitgedacht.
Begrijp me niet verkeerd: ziekte en/of dood wens ik zelfs mijn ergste vijanden niet toe. Maar als we de komende jaren een beetje behoorlijke televisie willen, dan zal er toch om de zoveel tijd een bekende schrijver om zeep moeten. Dat is makkelijker gezegd dan gedaan: bekende schrijvers (die ook nog behoorlijk schrijven kunnen) zijn niet dik gezaaid in Nederland. Ook hebben ze nog niet allemaal een - hm - sterfbare leeftijd bereikt. Tijd voor een kleine hitlist.
Arnon Grunberg en Ronald Giphart zijn ten enen male te jong. Die moeten nog een hele tijd mee. Misschien gaan ze zelfs nog eens klassiekers schrijven - dat zou ik niet willen missen. Daarnaast: een avond televisie over hun oeuvre zou te kort zijn. Ingeval Giphart onverhoopt mocht komen te overlijden, vrees ik bovendien dat er de hele avond (ex-)soapies over het scherm rollen, die ooit nog eens een rolletje hebben gespeeld in een verfilming van zijn werk. Giphart en Grunberg vallen voorlopig dus af.
Bernlef, Heere Heeresma en Maarten Biesheuvel hebben stuk voor stuk behoorlijk werk afgeleverd. Goed: de een iets behoorlijker dan de ander. Hoe dan ook: erg bekend zijn ze niet. Hun verscheiden zou in de Nederlandse mediavijver slechts een kleine rimpeling teweeg brengen, amper genoeg voor een item in het journaal.
Er zijn ook schrijvers die té bekend zijn: Kees van Kooten, Jules Deelder en Adriaan van Dis zullen na hun overlijden worden geëerd als media-persoonlijkheden, maar aan hun geschreven werk zal nauwelijks aandacht worden besteed, behalve door obscure VPRO-radioprogramma's als De Avonden (o ironie!). Als die programma's tegen die tijd nog niet wegbezuinigd zijn, tenminste.
Dan zijn er de vergeten schrijvers: Leon de Winter heeft al in geen jaren meer een behoorlijke roman gepubliceerd, van Oek de Jong wordt ook weinig meer vernomen. Van Rudy Kousbroek en Jeroen Brouwers weet ik niet eens zeker of ze nog wel leven. En zou er iemand zijn die nog weet wie Jan Cremer was?
Thomas Rosenboom? Te geschift (en te jong). F. Springer? Te obscuur. En Maarten 't Hart mocht ik op school niet eens op mijn lijst zetten: die werd door onze leraren, die wél wisten wat literatuur was, onder het kopje 'Bouquet-reeks' geklasseerd.
Over Mensje van Keulen, Renate Dorrestein, Marga Minco, Connie Palmen, Anna Enquist, Margriet de Moor, Inez van Dullemen, Tessa de Loo, Yvonne Keuls en Joost Zwagerman kunnen we kort zijn: mochten die überhaupt ooit het ondermaanse met het eeuwige verwisselen, hetgeen me sterk lijkt, dan zullen ze niet worden gemist. En mocht er, naar aanleiding van zo'n heuglijke gebeurtenis, op de televisie een lijvig retrospectief over hun leven en werk worden uitgezonden, dan denk ik dat ik naar de kroeg ga om voetbal te kijken.
De spoeling wordt wel dun, zo onderhand. Natuurlijk: we hebben nog een rijtje kanonnen. Maar AFTh is te jong, Komrij en Noteboom zijn voor de televisie vermoedelijk te hoog gegrepen en van Marcel Möring verwacht ik nog grote dingen (en liefst een beetje snel, verdomme, Möring!), die wens ik in elk geval nog een lang en productief leven toe.
Dan blijven eigenlijk alleen Remco Campert, Harry Mulisch en Jan Wolkers over. Dat zijn schrijvers die ik geen van drieën zou willen missen. Een avondje puike televisie is best leuk en aardig, maar stilletjes hoop ik nog op een hoop leuke cursiefjes van Campert en op de definitieve romans van Wolkers en Mulisch. Mogen die heren honderd worden? Graag.
We kunnen om de hete brij heen blijven draaien, maar de conclusie lijkt me even pijnlijk als duidelijk: Hella Haasse moet eraan geloven. Sorry Hella.
Drie kleine negertjes
Al vóór het overlijden van W.F. Hermans vroegen literatuurkenners zich af wie van de 'Grote Drie' als laatste zou overblijven. Stiekem ging iedereen er op voorhand vanuit dat dat Harry Mulisch zou zijn. Aldus geschiedde.
Zodoende levert de dood van Gerard Reve niet alleen literaire, maar ook rekenkundige vraagstukken op: zou Mulisch nu verder door het leven moeten als de 'Grote Eén'?
En wat gebeurt er als Harry Mulisch overlijdt - wordt het dan tijd voor de 'Grote Nul'? Zou Joost Zwagerman al klaar zijn voor zo'n verantwoordelijke taak?
Klopt dat wel?
Nu we het toch over Leiden hebben, op een gevel aan de Korevaarstraat is (in het kader van het project 'Gedichten en Muren') een nogal wonderlijk citaat van Montesquieu aangebracht: 'L'art donne les règles et le goût les exceptions'.
Laat ik nou altijd gedacht hebben dat het andersom was - dat de regels worden bepaald door smaak en de uitzonderingen door kunst. Ik moet nog maar eens stevig gaan nadenken.
Citaat (5)
Driek van Wissen in Trouw:
'Of neem de kritiek van Joost Zwagerman, die beweerde dat light verse verleden tijd is, terwijl de enige dichters uit het eind van de negentiende eeuw die nog wel eens genoemd worden Piet Paaltjens en De Schoolmeester zijn.'
Ik mag niet meer bloggen
Loes zegt dat ik niet meer bloggen mag. Ook natuurwandelingen, televisiekijken, tuinieren en kroegbezoek zijn voorlopig taboe. Mijn lief staat niet afkeurend tegenover dit soort activiteiten an sich, verre van dat. Het probleem ligt veeleer in de literaire sfeer. We hebben namelijk maar één exemplaar van de nieuwe Harry Potter in huis. En dat exemplaar heb ik.
Natuurlijk is er Loes veel aan gelegen om het boek zo snel mogelijk in handen te krijgen. Dus tot de tijd dat ik 'Harry Potter and the Half-Blood Prince' heb uitgelezen heeft ze liever niet dat ik me bezighoud met dingen die van het lezen zouden kunnen afleiden. Sterker: om het leesproces te bespoedigen maakt Loes het me zo makkelijk mogelijk. Ze kookt, doet de afwas, stofzuigt, geeft de planten water en zet regelmatig kopjes koffie, koele pilsjes, borrelnootjes en andere versnaperingen naast me neer.
En ik? Ik lig languit op de bank in de huiskamer en ik doe net alsof ik lees. Zulk literair genot mag van mij weken duren.
De ontwikkeling van een verzamelwoede

Ik moet een jaar of zestien, zeventien geweest zijn toen ik voor het eerst kennismaakte met de verhalen van Bob den Uyl (1930-1992). En ik weet vrijwel zeker dat mijn moeder daarin de hand heeft gehad. In elk geval was zij het die bij de bibliotheek een afgeschreven exemplaar van 'Wat fietst daar' voor me kocht.
Hoe dan ook: ik was direct verkocht. We schreven 1987 of 1988, en de meester zelf was nog in leven. Af en toe hoorde je 'm op de radio. Ik leende z'n boeken bij de bibliotheek en rond die tijd kocht ik ook 'Met een voet in het graf'.
'Wat fietst daar' en 'Met een voet in het graf' hebben jarenlang naast elkaar in m'n boekenkast gestaan en op de een of andere manier hebben ze nooit gezelschap gekregen. Nadat Den Uyl in februari '92 overleed is z'n werk nauwelijks meer uitgegeven. Zelfs antiquarisch is het amper meer te krijgen. Wie het heeft geeft het niet weg.
Gelukkig zijn er in de redactie van de VPRO-gids een paar wakkere mannen en vrouwen opgestaan die de nagedachtenis van Bob den Uyl in ere willen houden. Niet alleen hebben ze de Bob den Uyl-prijs (voor het beste literaire en/of journalistieke reisboek) in het leven geroepen, ze hebben er tevens voor gezorgd dat er afgelopen jaar bij uitgeverij Thomas Rap een nieuwe bundeling van zijn reisverhalen verscheen.
'Het reizen vereist sterke zenuwen' las ik zowat in een adem uit. Op datzelfde moment besloot ik om koste wat kost de rest van z'n werk op te scharrelen. In de praktijk valt dat niet mee. In antiquariaten vind je onder de U over het algemeen enkel werk van John Updike, Manon Uphoff, Betsy Udink en als je geluk hebt van Joop of Liesbeth den Uyl.
Opnieuw schoot de VPRO-clan te hulp: een paar maanden geleden kwam er bij Thomas Rap een nieuwe bundel uit onder de titel 'Er kon niets verkeerd gaan'. Nadat ik ook die bundel verslonden had - een groot deel van de tijd ten prooi een ongezonde lachstuipen - besloot ik om toch maar eens werk te maken van de collectie.
En als door een wonder liep ik in een Hilversums antiquariaat bij Boek & Glas in Amsterdam ineens tegen 'De ontwikkeling van een woede' aan. Sterker: afgelopen donderdag vond ik bij De Slegte 'De bloedende trein', 'Een zachte fluittoon' en 'Gods wegen zijn duister en zelden aangenaam'. Okee: ik mis nog een paar boeken, maar voorlopig heb ik in elk geval weer iets te lezen.
Over ambitie gesproken

Sinds enige tijd is er in Hilversum een filiaal van De Slegte. Het is maar een klein filiaal, niettemin ben ik er reuze blij mee. Toch is niet alles koek en ei. Zo vond ik er afgelopen zaterdag het boekje "Blinde Ambitie" van Eduard Bomhoff, de minister van VWS uit het eerste bruinhemdenkabinet.
Nu is dat op zich niet zo erg, maar iemand heeft het werkje bij de Nederlandse literatuur geplaatst, en dat voert me te ver. Vooral omdat het zij aan zij staat met het werk van de onovertroffen Godfried Bomans. Wat denkt die Bomhoff eigenlijk wel?
Overigens is de bovenvermelde toestand niet uniek. Zo verdenk ik Harry Mulisch ervan dat hij zijn pseudoniem enkel gekozen heeft om zijn werken naast die van Multatuli in de schappen te krijgen.
Tijd voor zware kost?
Alleenstaande mannen die hopen om indruk te maken op vrouwen kunnen maar beter geen fantasy-boeken lezen. Wie deze zomer op het strand op de versiertoer gaat, maakt weinig kans met boeken als 'The Lord of the Rings' of delen van de Harry Potter-reeks. Dat blijkt uit een onderzoek van uitgever Penguin. (Daar komen ze lekker op tijd mee, zo eind augustus.)
Volgens de Britse relatie-expert Tracey Cox lijken mannen die fantasy-boeken lezen weinig grip te hebben op de realiteit. Vrouwen voelen zich aangetrokken tot heren die 'serieuze' auteurs als Emily Brontë of Nick Hornby lezen. Dat zou blijk geven van een gevoelige natuur, aldus de resultaten van de enquête.
Maar welke vrouwen hebben ze voor dat onderzoek ondervraagd? Uit recent onderzoek op een strand (uitgevoerd door mijzelf) blijkt dat de meeste vrouwen (op dat strand) niets lezen dat langer is dan een SMS. En het meisje (net als ik een verwoed lezer) probeert me al jaren vergeefs de Dark Tower-cyclus van Stephen King aan te smeren. Je vraagt je af waarom.
Nil desperandum, mannen: Nick Hornby heeft ook een geweldig boek over voetbal geschreven.
|
|
|